'Libido' door Ton Dunk

Toen de dierenarts onze hond onderzocht, barstte hij opeens in lachen uit. ’Zo Robbie, het ziet er naar uit dat je dan toch eindelijk moet gaan boeten voor je reputatie!’, riep hij. Zoals in ieder klein dorp was er sprake van sociale controle.  Men wist zowat alles van elkaars doen en laten. Dat gold ook voor de dierenarts. Hij kende zijn klandizie van haver tot gort, zowel de dieren als hun eigenaren.

Nog steeds hevig grinnikend stond hij zijn klant te bekijken, die bang en gelaten deze vernedering onderging. Het was me al opgevallen dat Robbie nauwelijks protesteerde toen we de wachtkamer binnenkwamen. Dat was voorgaande keren wel anders geweest. Zo gauw hij, zeer tegen zijn zin aangelijnd, ook maar in de buurt kwam van de praktijk begon hij zó heftig te protesteren, dat het een hele toer werd om hem naar binnen te loodsen.

Als pup van pakweg acht weken kwam bij ons in huis. Nee, Robbie was geen rashond. Hij was zo’n taai, bijna niet klein te krijgen bastaardje. Mijn moeder had hem opgehaald bij mensen die midden in het bos woonden, het barstte daar van de huisdieren. Er was daar meer dan ruimte, zodat die familie het niet zo nauw nam met een gestadige uitbreiding van hun levende have. Zoals elke jonge hond groeide Robbie speels, nieuwsgierig en actief op. Hij was zelfs zo speels en intelligent, dat ik hem allerlei trucjes kon leren. Onze buren stonden zich regelmatig te vergapen aan de circusnummers die we samen opvoerden. Spelletjes zoals fly-ball bestonden toen nog niet, maar ik weet zeker dat Robbie hoge ogen gegooid zou hebben.

Toen Robbie eenmaal volgroeid was, werd duidelijk dat hij ook interesse kreeg voor andere spelletjes. Op een dag was ik hem opeens kwijt. Urenlang heb ik hem geroepen en gezocht, maar hij kwam niet naar huis. Uren werden dagen, zodat ik het ergste begon te vrezen. De meest vreselijke scenario’s haalde ik in mijn hoofd, zeker omdat zijn voorganger doodgereden was.

Tot mijn grote vreugde en geruststelling kwam Robbie na vier dagen dan eindelijk weer thuis. Hij zag er verfomfaaid, uitgemergeld uit. Zijn vacht was vuilgroen van de koeienstront. Hij was zo uitgeput, dat hij nauwelijks protesteerde toen ik hem onder de douche zette. Na die schoonmaakbeurt vrat hij zijn etensbak leeg, om daarna onder de salontafel vrijwel onmiddellijk in slaap te vallen.

Ik had nog geen seksuele voorlichting gehad. Robbie ook niet, maar dat bleek, zeker wat hem betrof, volkomen overbodig. Van mijn ouders hoorde ik dat mensen van een paar straten verderop geklaagd hadden. Of we toch alsjeblieft voortaan onze hond binnen wilden houden. Hun teef was loops geweest, en ze hadden het nodige afgezien met Robbie. Het bleek dat hij er zó op gebrand was om bij die teef te komen, dat ze zowel overdag als ’s nachts rust noch duur gekend hadden. Omdat die teef nu dus niet meer loops was, vatte Robbie zijn dagelijkse routine weer op; eten, slapen en met mij spelen.

Van al die keren dat Robbie weer dagenlang weg bleef, lag ik niet meer wakker. Ik wist wat hem bezig hield. Wel heb ik zo nu en dan mijn hart vast gehouden. Zeker als ik zag dat hij, zo klein als hij was, zijn vaak forse rivalen met ware doodsverachting naar de strot vloog. Hij kreeg dan ook regelmatig ongenadig op zijn falie, maar dat weerhield hem er niet van om een volgende keer weer de strijd aan te gaan.

Een van onze buren trainde een politiehond, een Duitse herder. Hij had voor die hond in zijn achtertuin een fraai hok en een ren gebouwd. Helaas voor hem was het een teef. Dat ook getrainde honden gewoon loops worden heeft hij ondervonden, zeker met een macho als Robbie in de buurt. Eigenaars van teven verzochten ons dringend om Robbie binnen te houden als hun hond loops was. Dat probeerden we wel, maar het was bijna niet te doen. Zo vrat hij zich bijna een weg naar buiten door onze keukendeur. Toen we hem een andere keer huisarrest gaven, zagen we vanuit de lucht iets zwart-wits op het gazon van onze achtertuin neerploffen. We waren zo onnozel geweest om slaapkamerraam open te laten staan. Als we hem wel binnen konden houden, werden we zelf horendol van zijn klaaglijke gepiep en gejank.

We kregen zelfs eens van mensen te horen dat ze Robbie samen met hun hond in het echtelijke bed hadden aangetroffen. Een andere hondenbezitter werd zó kwaad op Robbie, dat hij hem met een steen bekogelde. De steen miste Robbie, niet de ruit van hun keukendeur.

’Wat is er met Robbie aan de hand?’, vroeg ik ongerust aan de dierenarts. De man bekeek nog altijd met leedvermaak zijn klant. ’Ontstoken teelballen, ik zal hem moeten castreren. Als ik dat niet doe, zal hij het niet overleven. Geen zware operatie hoor, maar ik vrees voor hem dat het nu definitief is gedaan met zijn amoureuze uitspattingen!’ Zo geschiedde. Na de operatie bracht ik een zwaar versufte Robbie weer naar huis. Hij kon, zoals dat heet, 'het' niet meer doen.